BOX 3 Sparen en beleggen

Let op:

Voor de jaren 2017 tot en met 2024 maakt de Belastingdienst het mogelijk om onder voorwaarden een opgaaf te doen van het werkelijk rendement (OWR).

In de aangifte geef je bezittingen en schulden op die juridisch bij de aangever hoort. Dit telt door naar een rendementsgrondslag, waar vervolgens het heffingsvrije vermogen vanaf wordt getrokken. Het saldo (grondslag sparen en beleggen) kun je vervolgens verdelen tussen aangever en partner.

Voor het jaar 2025 bedraagt dit € 57.684 per persoon. Voor fiscaal partners bedraagt het heffingsvrije vermogen samen € 115.368.

Kom je niet boven het heffingsvrije vermogen uit, dan is er meestal geen box-3-heffing en is uitgebreide invulling vaak niet nodig. Toch kan invullen soms wel nodig zijn, bijvoorbeeld als je (Nederlandse) dividendbelasting wilt verrekenen of als je groen sparen en beleggen hebt, omdat daarvoor een vrijstelling en een extra heffingskorting kunnen gelden.

Als het vermogen (na toepassing van het heffingsvrije vermogen en eventuele andere vrijstellingen) boven de vrijstelling uitkomt, betaal je belasting in BOX 3 over een berekend rendement. Hoeveel belasting je betaalt, hangt dus af van de waarde van de bezittingen en schulden op de peildatum en van eventuele vrijstellingen (zoals het heffingsvrije vermogen), maar ook van de manier waarop het rendement bepaald wordt. Dit is de laatste jaren een aantal keer veranderd. Hieronder lees je welke regelingen op welke jaren van toepassing is.

T/m 2022: schijvenstelsel + rechtsherstelvergelijking

T/m 2022 werd het vermogen in BOX 3 belast aan de hand van het schijvenstelsel. Het schijvenstelsel in BOX 3 berekent het voordeel uit sparen en beleggen. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt belast tegen 31%.

Rendement op vermogen 2022

Voorbeeld BOX 3: Binnenlands belastingplichtigen

Door rechtsherstel wordt voor deze jaren daarnaast ook een alternatieve (herstel)berekening gemaakt die meer aansluit bij de werkelijke samenstelling van het vermogen (zoals banktegoeden vs. overige bezittingen en schulden). Vervolgens geldt: de meest gunstige uitkomst voor de belastingplichtige wordt toegepast. Dit gebeurt automatisch.

Eventueel tegenbewijs/werkelijk rendement verloopt (indien van toepassing) via het aparte OWR-formulier.

2023 t/m 2024: forfaitaire spaarvariant (overbruggingswet)

Vanaf 1 januari 2023 werd de Overbruggingswetgeving de standaard. Het schijvenstelsel was niet meer van toepassing. In plaats daarvan werd er een rekenmethode gehanteerd op basis van de werkelijke verdeling van het vermogen over drie categorieën: banktegoeden, beleggingen en andere bezittingen en schulden. Elke categorie heeft een eigen forfaitair rendementspercentage (dus twee rendementen voor bezittingen en één voor schulden). Dit is het "fictief rendement"-model.

Het belastingtarief BOX 3 is voor 2023 32% en voor 2024 36%. Het heffingsvrij vermogen is voor beide jaren € 57.000 (per persoon).

Rendement op vermogen 2023 en 2024

Eventueel tegenbewijs/werkelijk rendement verloopt via het aparte OWR-formulier.

Vanaf 2025: forfaitaire spaarvariant + tegenbewijs geïntegreerd in de IB-aangifte

Vanaf aangiftejaar 2025 blijft de forfaitaire spaarvariant de basis. Nieuw is de mogelijkheid om tegenbewijs/werkelijk rendement te hanteren in de aangifte IB zelf, in plaats van in een apart OWR-formulier. Als de gegevens voor het werkelijke rendement worden invult, wordt automatisch beoordeeld of dit gunstiger is dan de forfaitaire uitkomst. De meest gunstige variant voor de belastingplichtige zal worden gehanteerd.

Het belastingtarief BOX 3 is voor 2025 36%. Het heffingsvrij vermogen is voor 2025 € 57.684 (per persoon).

Rendement op vermogen 2025

Inhoud

BOX 3 (Hoofdscherm)

Op het hoofdscherm vind je de uiteindelijke berekening voor het voordeel uit sparen en beleggen, het belastbaar inkomen en de inkomstenbelasting. De partnervelden komen uit de aangifte van de gekoppelde partner. Dit zijn dus dezelfde velden als van de aangever, alleen komen deze uit de aangifte van de gekoppelde partner. Profit neemt deze velden alleen over als je gekozen hebt voor (gedeeltelijk) fiscaal partnerschap of Fiscaal partnerschap voor het hele jaar. Uitzondering hierop is het veld Af: Heffingvrij vermogen: Het heffingvrij vermogen wordt niet in aparte velden weergegeven, maar wordt gezamenlijk weergegeven (wanneer dit van toepassing is).

Ook kun je op dit scherm vanaf de aangifte IB 2025 aangeven of je werkelijk rendement wilt opgeven in de aangifte middels het vinkveld Werkelijk rendement opgeven (tegenbewijsregeling). Hierdoor zul je op dit scherm de uitkomst van zowel de forfaitaire variant als de werkelijke variant zien zodat deze met elkaar vergeleken kunnen worden.

Bezittingen

Op het scherm Bezittingen geef je de verschillende bezittingen op voor het aangegeven belastingjaar. Vul per categorie de specificaties. Hier vul je de waarde van de bezittingen, vaak op 1 januari 20XX van het huidige jaar en op 1 januari 20XX van het volgende jaar. Je waardeert de bezittingen in principe tegen de waarde in het economische verkeer: de objectieve marktwaarde op de peildatum. Alleen feiten die op die peildatum bekend zijn tellen mee. Persoonlijke (emotionele) waarde speelt geen rol. Voor onroerende zaken in Nederland is de waardering tegen WOZ-waarde.

De onderstaande specificaties vul je in als deze van toepassing zijn.

Let op:

Wanneer je in de aangifte IB 2025 werkt en je hebt op het hoofdscherm het vinkveld Werkelijk rendement opgeven (tegenbewijsregeling) aangevinkt, dan kun je per specificatie ook het werkelijk rendement opgeven. Hoe je dit per categorie berekent, lees je in het artikel over de opgaaf werkelijk rendement.

  • Premiedepots, bank- en spaartegoeden in Nederland (excl. groene beleggingen)
  • Premiedepots, bank- en spaartegoeden in het buitenland
  • Tegoeden op werknemersspaarregelingen (opgebouwd vóór 2012)
  • Contant geld
  • Uitgeleend geld en (overige) vorderingen
  • Aandelen, obligaties en dergelijke (excl. groene beleggingen)
  • Aandelen werknemerspaarregelingen
  • Groene beleggingen banktegoeden
  • Groene beleggingen aandelen, obligaties e.d.
  • Cryptobezittingen
  • Belegd durfkapitaal (indirecte belegging in durfkapitaal)
  • Uitgeleend durfkapitaal (directe belegging in durfkapitaal)
  • (Rechten op) onroerende zaken in Nederland
  • (Rechten op) onroerende zaken in het buitenland
  • Niet-vrijgesteld deel kapitaalverzekeringen
  • Rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen

    Overige bezittingen

  • Belastbare afkoopwaarde nettolijfrente of nettopensioenregeling

Afgezonderd particulier vermogen (APV)

Het specificeren van vermogen dat valt onder afgezonderd particulier vermogen (bijvoorbeeld trustvermogen of vergelijkbare vermogensstructuren) doe je in de specificatie Afgezonderd particulier vermogen (APV). In de specificatie Belastingplichtige, partner of minderjarige kinderen betrokken bij een APV of belastingplichtige is erfgenaam van degene die vermogen heeft afgezonderd in APV of belastingplichtige heeft een concreet recht ten laste van een APV? voeg je het APV van de cliënt toe. Enkele voorbeelden van rechtsvormen voor een APV zijn:

  • (family)trust
  • Stichting Particulier Fonds (SPF)
  • (private)foundation
  • Anstalt
  • Stiftung
  • (familie)stichting
  • (familie)vereniging

Deze lijst met voorbeelden van rechtsvormen voor een APV is niet uitputtend.

Onder de specificatie Belastingplichtige, partner of minderjarige kinderen betrokken bij een APV of belastingplichtige is erfgenaam van degene die vermogen heeft afgezonderd in APV of belastingplichtige heeft een concreet recht ten laste van een APV? heb je de mogelijkheid om de Inkomsten uit APV te specificeren. Profit bepaalt het trustvermogen zoveel mogelijk op basis van de gegevens uit de aangifte. Tenslotte kun je een Toelichting APV invullen.

Bezittingen die tijdelijk zijn verplaatst uit BOX 3 naar BOX 1 of BOX 2

Als bezittingen tijdelijk zijn verplaatst uit BOX 3 naar BOX 1 of BOX 2, dan worden de inkomsten daaruit belast in BOX 1 of BOX 2 en in bepaalde gevallen óók nog meegeteld bij het voordeel uit sparen en beleggen (in BOX 3), namelijk:

  • als de verplaatsing korter dan drie maanden duurde en rond een peildatum van BOX 3 plaatsvond;
  • als de verplaatsing meer dan drie maanden maar korter dan zes maanden duurde en rond een peildatum van BOX 3 plaatsvond. Dit geldt niet als er aannemelijk wordt gemaakt dat de bezittingen om zakelijke redenen zijn verschoven naar BOX 1 of BOX 2.

In deze situaties moeten de werkelijke inkomsten aangegeven worden in BOX 1 of BOX 2 en de waarde van de bezittingen in BOX 3. In BOX 3 moet de waarde worden opgenomen op de peildatum die het dichtst ligt bij de datum waarop de bezittingen zijn verplaatst.

Bezittingen na vrijstellingen

Dit is een overzicht/controlescherm. In dit scherm kun je geen wijzigingen worden aangebracht.. Op dit scherm zie je een overzicht van de bezittingen nadat de vrijstellingen zijn toegepast. Profit berekent deze bedragen automatisch op basis van wat je hebt ingevuld op het scherm Bezittingen en op basis van de geldende vrijstellingen (zoals groene beleggingen en contant geld).

Voor de volgende categorieën vermogensbestanddelen geldt een vrijstelling:

  • Landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928. De gebouwde eigendommen op deze landgoederen moet u wel aangeven in BOX 3.
  • Bossen
  • Natuurterreinen
  • Voorwerpen van kunst en wetenschap, behalve als u deze vooral als belegging hebt
  • Bepaalde vorderingen op basis van een erfenis
  • Sommige kapitaalverzekeringen
  • Roerende zaken voor eigen gebruik of voor gebruik binnen het gezin
  • Bijvoorbeeld uw eigen auto of de inboedel van uw woning.
  • Het gespaarde bedrag van uw levensloopregeling

Voor groene beleggingen (in aandelen en/of banktegoeden) geldt dat de vrijstelling automatisch in de aangifte wordt berekend. Fiscale partners kunnen de vrijstelling groene beleggingen verdelen.

Groene beleggingen

Als de aangever groene beleggingen had, geldt op elke peildatum een vrijstelling tot een gezamenlijke waarde van maximaal € 26.312 (2025). Groene beleggingen zijn beleggingen in fiscaal erkende groene fondsen. Heeft de belastingplichtige het hele jaar dezelfde fiscale partner, dan geldt een gezamenlijke vrijstelling voor groene beleggingen van € 52.624 (2025).

Sinds de invoering van de forfaitaire spaarvariant in BOX 3 is artikel 5.13 lid 2 Wet IB 2001 aangepast. Hierdoor wordt de vrijstelling voor groene beleggingen altijd:

  1. Eerst toegepast op groene beleggingen die vallen onder overige bezittingen;
  2. Het resterende deel van de vrijstelling wordt toegepast op groene beleggingen in de vorm van banktegoeden.

Vorderingen

In sommige gevallen neem je de vorderingen niet op in BOX 3:

  • (latente) belastingvorderingen en vorderingen premie volksverzekeringen
  • lopende termijnen met een looptijd van 1 jaar of korter
  • bepaalde vorderingen uit nalatenschap:

    Als één van de ouders is overleden, kan bij de verdeling van de nalatenschap alles zijn overgegaan op de langstlevende ouder, die de verplichting heeft aanvaard om alle schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen. Als de aangever bij die verdeling een geldvordering op de langstlevende ouder heeft gekregen, hoeft de aangever deze vordering niet aan te geven.

Tweede woning

Als de aangever de tweede woning voor 30% of meer van de tijd tot zijn beschikking had, vul dan de WOZ-waarde in. Had de aangever de woning minder dan 30% van de tijd tot zijn beschikking (bijvoorbeeld door verhuur), geef dan de waarde in het economische verkeer aan.

Je geeft in BOX 3 niet op:

  • De eigen woning die het hoofdverblijf was (die hoort bij Inkomsten uit eigen woning(en)).
  • Een landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928 dat volledig in eigendom is.

Je geeft wel op:

  • Woningen en andere gebouwen die op het landgoed staan, niet de eigen woning.
  • Een bos of natuurterrein dat volledig in eigendom is. Het vruchtgebruik en beperkt eigendom moet worden aangegeven bij Overige bezittingen.

Overige onroerende zaken

Ga uit van de waarde in het economische verkeer. De werkelijke inkomsten uit overige onroerende zaken (huur, pacht e.d.) zijn onbelast.

Niet-vrijgesteld deel van kapitaalverzekeringen

Vermeld de waarde van verzekeringen die een kapitaal (bedrag ineens) uitkeren. Ga uit van de waarde in het economische verkeer op:

  • 1 januari 20XX
  • 31 december 20XX

Kapitaalverzekeringen afgesloten uiterlijk 14 september 1999 (geen KEW)

Als één of meer kapitaalverzekeringen uiterlijk 14 september 1999 zijn afgesloten (en het is geen kapitaalverzekering eigen woning), geldt een vrijstelling:

  • Is de gezamenlijke waarde € 123.428 (2025) of lager: dan hoeft niets te worden aangegeven.
  • Is de gezamenlijke waarde hoger, geef dan alleen het deel boven € 123.428 aan.

    Let op:

    Is het verzekerde kapitaal of de premie na 13 september 1999 verhoogd, dan mag de vrijstelling alleen worden toegepast als de verhoging plaatsvond op basis van een clausule die op 13 september 1999 al bestond. De vrijstelling vervalt in ieder geval als de looptijd van de verzekering na 13 september 1999 is verlengd.

Je geeft in BOX 3 niet op:

  • Een kapitaalverzekering eigen woning.
  • Een kapitaalverzekering die alleen uitkeert bij invaliditeit, ziekte of ongeval.
  • Een kapitaalverzekering die alleen uitkeert bij overlijden (bijv. begrafenisverzekering) tot maximaal verzekerd kapitaal van € 8.769 (2025) per verzekerde.

    Is het verzekerd kapitaal hoger dan € 8.769, dan bestaat toch recht op de vrijstelling als de totale waarde in het economische verkeer van de polissen niet hoger is dan € 8.769. Is de totale waarde hoger, dan vervalt de vrijstelling. Het gaat om een verzekering die uitkeert bij overlijden van de aangever zelf, de fiscale partner, kinderen, ouders, broers/zussen en hun echtgenoten.

Rechten op periodieke uitkeringen

Vermeld de waarde van lijfrenteverzekeringen en andere rechten op periodieke uitkeringen waarvan de aangever de uitkeringen al ontvangt als een vast bedrag in geld, en die niet in BOX 1 vallen. De meeste lijfrenteverzekeringen en rechten op periodieke uitkeringen die vóór 1 januari 2001 zijn gesloten, vallen in BOX 1. Als de aangever een vóór 1 januari 2001 bestaande saldo-lijfrente heeft afgerekend, moet de waarde van de verzekering worden aangegeven in BOX 3. Vermeld ook andere lijfrenteverzekeringen en rechten op periodieke uitkeringen die niet in BOX 1 vallen. Ga dan uit van de waarde in het economische verkeer.

Je geeft in BOX 3 niet op:

  • Lijfrenteverzekeringen of andere rechten op periodieke uitkeringen voor zover de premie daarvan in 2003 of eerdere jaren is afgetrokken.

Overige bezittingen

Voorbeelden:

  • Roerende zaken die de aangever verhuurde of als belegging had.
  • Rechten op roerende zaken.
  • Trustvermogen waarover de aangever de beschikkingsmacht had of waarop de aangever recht had.
  • Het aandeel in een onverdeelde boedel.
  • Vruchtgebruik of beperkt eigendom (o.a. blote eigendom) van een pand, landgoed, bos of natuurterrein.

    Hieronder valt ook de blote eigendom van een woning die geldt als eigen woning van degene die het vruchtgebruik heeft

  • Recht op het gebruik van een pand waarvoor de aangever minder dan één keer per jaar een zakelijke vergoeding betaalt (bijv. huur vijf jaar vooruit)
  • Vruchtgebruik of beperkt eigendom van een spaarrekening.

    Bij blote eigendom: de aangever is eigenaar maar heeft geen recht op de rente

Je geeft in BOX 3 niet op:

  • Vruchtgebruik dat door erfrecht is verkregen van de woning die het hoofdverblijf was.
  • Het eigenwoningforfait van deze woning hoort bij Inkomsten uit eigen woning(en).
  • Roerende zaken voor eigen gebruik of gebruik binnen het gezin (bijv. eigen auto of inboedel).
  • Kunstvoorwerpen: over het algemeen vrijgesteld, tenzij het om beleggingen gaat.
Schulden

Let op:

Wanneer je in de aangifte IB 2025 werkt en je hebt op het hoofdscherm het vinkveld Werkelijk rendement opgeven (tegenbewijsregeling) aangevinkt, dan kun je per specificatie ook het werkelijk rendement opgeven. Hoe je dit per categorie berekent, lees je in het artikel over de opgaaf werkelijk rendement.

In BOX 3 worden schulden in mindering gebracht op de waarde van je bezittingen. Het gaat om schulden die je op 31 december van het aangiftejaar nog hebt en die behoren tot je eigen vermogen voor BOX 3. Als de belastingplichtige is overleden in het aangiftejaar, moeten de schulden per datum van overlijden ingevuld. De eventuele fiscale partner van de overledene geeft de schulden per 31 december van het aangiftejaar aan.

Drempel

Voor BOX 3 geldt een drempel voor schulden. Alleen het deel van de schulden boven deze drempel vermindert de grondslag sparen en beleggen. Voor 2025 is de drempel per persoon vastgesteld op € 3.200. Als twee partners het hele jaar fiscale partners zijn, geldt een gezamenlijke drempel van € 6.400 (2 × € 3.200).

Let op:

Ook als je ervoor kiest om géén fiscaal partnerschap toe te passen, wordt altijd voor beide personen de afzonderlijke drempel berekend. Vul in dat geval alle schulden bij de aangever in zodat de aangifte correct is.

De volgende schulden neem je op in BOX 3:

Neem schulden op die op de peildatum (1 januari van het aangiftejaar) juridisch bestaan en waarvoor de aangever een terugbetalingsverplichting heeft, voor zover deze schulden volgens de wet tot BOX 3 behoren. Het gaat om de volgende categoriën:

  • Schulden voor de financiering van consumptiegoederen, zoals een auto, een vakantie of andere privéaankopen.
  • Schulden voor de financiering van beleggingen (BOX 3) zoals:

    De aankoop van aandelen (behalve aandelen die behoren tot een aanmerkelijk belang in BOX 2).

    Financiering van obligaties of andere niet-BOX 1/BOX 2-beleggingen.

    Financiering van rechten op periodieke uitkeringen (tenzij deze al in BOX1 vallen).

    Financiering van een tweede woning of andere onroerende zaken.

  • Schulden op grond van de Wet studiefinanciering (bijvoorbeeld studieschuld)

De volgende schulden neem je niet op in BOX 3:

  • Hypotheeks schuld voor de eigen woning. De schuld voor je eigen hoofdverblijf hoort bij Inkomsten uit eigen woning(en) en wordt daarom niet in BOX 3 verwerkt.
  • Schulden die niet opeisbaar zijn omdat de aangever de langstlevende ouder is.
  • Schulden voor uitgaven voor ziekte of invaliditeit die vóór 31 december 2000 bestonden. De rente voor deze schulden is namelijk nog aftrekbaar. Schulden die na deze datum zijn gemaakt, moeten hier wel worden aangegeven. De rente hierop kan niet meer worden afgetrokken.
  • Schulden voor studiekosten anders dan op grond van de Wet studiefinanciering die op 31 december 2000 al bestonden. De rente op deze schulden kan nog als persoonsgebonden aftrek worden verwerkt en daarom behoren deze schulden niet tot BOX 3. Schulden voor studiekosten die na 31 december 2000 zijn ontstaan, geef je wel aan in BOX 3. De rente hierop is niet aftrekbaar.
  • Lopende rentetermijnen van schulden met een looptijd korter dan één jaar.
  • (Latente) Belastingschulden en schulden premie volksverzekeringen (inclusief belastingrente en invorderingsrente).
Voorkoming dubbele belasting

Als een ander land op grond van belastingregels of een belastingverdrag het (eerste) recht heeft om belasting te heffen over bepaalde buitenlandse bezittingen, kan Nederland een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen. Hierdoor is in Nederland minder inkomstenbelasting verschuldigd. Dit verwerk je op het scherm Voorkoming dubbele belasting.

Wijze van berekenen aftrek

De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt per BOX berekend (dus afzonderlijk voor BOX 1, BOX 2 en BOX 3). Het bedrag van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting kan niet hoger zijn dan het bedrag dat verschuldigd is aan inkomstenbelasting in de betreffende box.

Als er buitenlandse inkomsten uit bezittingen zijn waarover Nederland geen belasting mag heffen, dan moet dat ingevuld worden op het scherm Voorkoming dubbele belasting. Aan de hand van de buitenlandse inkomsten uit bezittingen en de Buitenlandse bezittingen minus schulden (onroerende zaken) die je hier (in het onderdeel Teller en restanten) opgeeft, berekent Profit de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

Specificatie Buitenlandse bezittingen minus schulden (onroerende zaken)

Als je de specificatie Buitenlandse bezittingen minus schulden (onroerende zaken) invult, moet je de specificatie ook toevoegen het scherm Bezittingen onderdeel (Rechten op) onroerende zaken in het buitenland. Ook moet op het scherm bij het veld Rendementsgrondslag een bedrag zijn ingevuld. De rendementsgrondslag moet hoger zijn dan nul. Doe je dit niet dan geeft Profit hiervan ook een melding in het verificatiescherm.

Voorbeelden

Bij fiscale partners moet, voor de meest gunstige voorkoming dubbele belasting, het buitenlands onroerend goed voor 100% bij beide cliënten/fiscale partners opgevoerd worden in de specificatie Buitenlandse bezittingen minus schulden (onroerende zaken):

Voorbeeld 1: Buitenlands Onroerend goed 100% één partner, Voorkoming dubbele belasting 100% bij beide partners

In de aangifte van X is buitenlands Onroerend goed opgenomen voor € 18.740 in BOX 3 en bij voorkoming dubbele belasting wordt dezelfde waarde ook opgenomen: € 18.740. Dit levert een Voorkoming dubbele belasting op van € 47.
In de aangifte van Y voer je enkel bij de voorkoming dubbele belasting een waarde op van € 18.740. Dit levert een voorkoming op van € 85. Per saldo wordt er een voorkoming van € 132 genoten (conform de wet).

Voorbeeld 2: Buitenlands Onroerend goed 50/50 verdelen tussen partners, Voorkoming dubbele belasting 100% bij beide partners

Bij beide partners wordt 50% van de waarde opgenomen in BOX 3 als bezitting (in dit geval € 9.370). Bij de voorkoming wordt bij beide partners 100% van het Onroerend goed opgenomen (in dit geval € 18.740). Dit levert een voorkoming op van respectievelijk € 85 en € 47. Tezamen € 132.

Let op:

Voor de berekening Voorkoming dubbele belasting hanteert de Belastingdienst verschillende rekenmethoden voor de VA IB 2023 in vergelijking met Aangifte IB 2023. We volgen hierin de fiscus aangezien we geen andere gegevens kunnen versturen in het XBRL-bericht. Hierdoor kan er een verschil zitten tussen deze twee aangiften. Vanaf de VA IB 2024 is dit opgelost en zal de berekening wel gelijk lopen met de aangifte IB van datzelfde jaar.

BOX 3 voor buitenlands belastingplichtigen

Voor buitenlands belastingplichtigen gelden bij BOX 3 aanvullende regels voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen. Het gaat daarbij met name om de tijdsgelange herleiding van bezittingen en schulden en om de voorkoming van dubbele belasting.

Schulden en schuldendrempel

Bij het bepalen van de buitenlandse rendementsgrondslag wordt uitgegaan van buitenlandse bezittingen minus de schulden die daarmee samenhangen. Als schulden niet rechtstreeks aan Nederlandse of buitenlandse bezittingen zijn toe te rekenen, worden deze evenredig toegerekend. In de berekening kan ook de schuldendrempel een rol spelen; Profit volgt hierin de rekenwijze van de Belastingdienst.

Voorbeeld BOX 3: Buitenlands belastingplichtigen

Voorkoming dubbele belasting

Bij de voorkoming dubbele belasting in BOX 3 past Profit de vrijstellingsmethode toe: de vermindering wordt berekend met een voorkomingsbreuk (teller/noemer) op basis van het buitenlandse deel van het BOX 3-inkomen ten opzichte van het totale BOX 3-inkomen. Dit sluit aan bij artikel 24 (lid 6) van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (Bvdb 2001), zoals gewijzigd en toegelicht naar aanleiding van het arrest De Groot en het Besluit van 20 december 2007, nr. DB2007/630 (Stb. 2007, 573).

30%-regeling / partiële buitenlandse belastingplicht

Als de aangever in Nederland werkt met toepassing van de 30%-regeling, kon hij/zij in de aangifte (in eerdere jaren) kiezen voor partiële buitenlandse belastingplicht. Bij partiële buitenlandse belastingplicht wordt de aangever voor BOX 2 en BOX 3 behandeld als buitenlands belastingplichtige. Dit betekent dat in BOX 3 alleen bepaalde Nederlandse bezittingen en de daarmee samenhangende schulden meetellen (bijvoorbeeld (rechten op) onroerende zaken in Nederland en rechten op een aandeel in de winst van een Nederlandse onderneming).

Vanaf de aangifte IB 2025 kan in de aangifte niet meer voor partiële buitenlandse belastingplicht worden gekozen. Door overgangsrecht kan deze regeling echter in bepaalde gevallen nog van toepassing zijn tot en met 2026, met name voor belastingplichtigen die al voor 2024 onder de 30%-regeling vielen.

Direct naar

  1. Belasting en premies